Het Racka Schaap


Het Hongaarse Racka-schaap komt al vanaf de 13e eeuw voornamelijk voor in de Hongaarse vlakte. Het aantal Hongaarse Racka schapen, dat tot de 18e eeuw het overheersende ras was en er op de Brugmarkten
van Hortobagy nog 50-60.000 dieren van eigenaar verwisselden, liep daarna snel terug. Tenslotte werden de dieren alleen nog gefokt op enkele boerderijen in het Transtheisgebied. In 1939 waren er nog maar 4000 dieren en ging de Hongaarse Staat (tijdens de 2e wereldoorlog) er zich mee bezig houden. Deze staatsboerderij (in Hortobagy) kreeg als doel de witte en zwarte rasvarianten verder te fokken. Jammer genoeg kon men de keuze van rammen en ooien niet precies selecteren, dit kwam door de nauwe familieteelt van de laatste 30 jaar. Het gevaar van rasachteruitgang was te verwachten. Ondertussen had men ook op
andere staatsboerderijen het ras in stand kunnen houden. Ook enkele privé fokkers konden hun steentje bijdragen om de fokkerij van nieuw bloed te kunnen voorzien en voor de toekomst te behouden. Vandaag de dag zijn er 4000 tot 4500 Hongaarse Racka-schapen, waarvan ongeveer 60% wit en 40% zwart.

Beschrijving kenmerk en standaard
In verhouding tot de romp is de kop middelgroot, edel en nuchter. De ogen zijn groot, opliggend en kijken levendig. De schedel is tamelijk breed, het gezichtsdeel lijkt er smal door. De ooien hebben een scherp profiel, de rammen een lichte Romeinse neus. De oren zijn van middelmatige grootte en hellen zijwaarts naar beneden. Ze houden hun kop gracieus, de hals is van middelmatige lengte, zonder veel spieren en diep ingeplant. Vandaar dat het diep speurt en zijn kop hoog kan opheffen. Rug en schoft zijn scherp afgetekend en smal, de lendenen zijn lang. De romp en rug zijn vlak en diep. Het achterstel van het dier is vaak overontwikkeld. De botten zijn fijn, maar zeer hard. Hun beweging is licht en harmonisch. De staart is zeer lang. De beide geslachten hebben lange schroefhorens in V-vorm. De hoeven zijn vast en niet of nauwelijks gevoelig voor paranitium. Het gewicht van een volwassen ooi in goede conditie bedraagt 35-45 kg, na het scheren in het voorjaar weegt zo’n ooi 60% van de ram. De volwassen rammen in volle ontwikkeling wegen 55-60 kg. De lammeren hebben na ongeveer 30 dagen een gewicht van 20 kg. En als ze 60 dagen oud zijn een gewicht van 14 kg. De dieren groeien snel en zijn vroeg rijp. De lammeren van de witte variant kunnen bij de geboorte hel geel tot donker bruin gekleurd zijn. Kop, hals en poten en het voorste deel van de romp zijn donkerder bruin dan de overige lichaamsdelen. Tijdens de groei wordt alleen de vacht witter, verder hebben ze bij de geboorte een mooi gekrulde vacht, na de eerste keer scheren verliezen ze de krul, maar een natuurlijke golving blijft behouden. De bovenvacht meet 40-60 cm. Lammeren en ooien hebben tussen de horens een kuif (dot wol). Bij de geboorte heeft de zwarte rasvariant een glanzend, zwart gekrulde vacht en de F1 kruisingen leveren een volwaardig karakulvel op. De glans van het pas geboren zwarte lam gaat met de tijd verloren en door de zon treedt er een verkleuring op naar roodbruin, grijs. In de wasgele horens van de witte variant komen soms, voornamelijk bij de rammen, een of twee donkere strepen voor, dit is geen fout maar een raskenmerk. Verder zijn de hoeven bij de witte variant gelig tot donderburin. Bij de zwarte variant zijn de horens en hoeven zwart. Bij alle dieren, zowel de witte als zwarte zijn de lippen, het gehemelte en de tong donkerrood. Fouten zijn: vlekken op of gevlekte kop of lichaam, veranderingen in de krul en golving van de vacht, de lengteverhouding onderwol/haar, de vorm en/of aanzet van de horens.

Lammeren
De ooien worden in de herfst gedekt, zodat aan het eind van de winter of in het voorjaar de lammeren worden geboren. De draagtijd bedraagt 145-150 dagen. Er zijn 5-15% tweelingen te verwachten. De zwarte variant geeft meer melk en vermenigvuldigt zich ook sneller.
Bij ons blijft de ram gewoon tijdens het lammeren erbij lopen. Het aflammeren geeft bijna nooit problemen. De ooien redden zich zelf. De lammeren moeten alleen een droge plek om te liggen hebben.

Voeding
De Racka-schapen zijn schraalweiders. Een weiland met afwisseling, gras en kruiden is het beste. Pas na het dekseizoen, gedurende de strenge wintermaanden kunnen wat brokjes worden gevoerd. Als je teveel brok voert of de wei is te rijk dan zal het schaap niet dragen. Als er weinig gras is geven wij hooi bij. Op hooi zijn ze soms gekker dan op gras. Het ras is van oorsprong wat schuw . Maar doordat wij regelmatig wat geven komen ze toch wel naar je toe. Het is een erg sierlijk schaap dat eenvoudig te houden is, weinig gevoelig voor ziektes en eenvoudig aflammert.

Wij hebben momenteel een kudde bestaande uit 1 witte ARR/ARR ram en 6 ooien. 4 zwart en 2 wit.
Onze ooien zijn allemaal drachtig. Wij verkopen meestal de lammeren of ruilen een ooitje met een andere fokker om onze groep uit te breiden.




















De beide geslachten hebben
lange schroefhorens in V-vorm

webdesign: wil scholtens grafisch ontwerp .
powered by time2act